PSALM 22

Psalm 22


Informatie en bladmuziek over Psalm 22

Tekst en zang 1773 en Datheen

Product vergelijk (0)


12 Psalmen in twee toonsoorten - Jan van Weelden

12 Psalmen in twee toonsoorten - Jan van Weelden

Weelden, Jan van

12 Psalmen in twee toonsoorten van Jan van WeeldenInhoud:1. Psalm 222. Psalm 253. Psalm 99 4. Psalm ..

€ 14,95

67 voorspelen bij Psalmen - Dick Troost

67 voorspelen bij Psalmen - Dick Troost

Troost, Dick

67 voorspelen bij Psalmen van Dick Troost Voor orgelHet kerkelijk jaar rondInhoud:Psalm 2Psalm 8P..

€ 20,00

Christelijke feestdagen psalmen en gezangen voor Piano deel 1 - Ronald Masselink

Christelijke feestdagen psalmen en gezangen voor Piano deel 1 - Ronald Masselink

Masselink, Ronald

Christelijke  Feestdagen psalmen en gezangen voor Piano deel 1 - Ronald MasselinkInhoud:Kerst:P..

€ 11,50

Gedachten bij Golgotha - Gerrit Koele

Gedachten bij Golgotha - Gerrit Koele

Koele, Gerrit

Gedachten bij Golgotha van Gerrit KoeleVOOR PIANOInhoud:Als ik in gedachten staPsalm 22Jezus, leven ..

€ 10,95

Hollandsche Koraalkunst - Diverse artiesten

Hollandsche Koraalkunst - Diverse artiesten

Sweelinck, J.P.Zn., Zwart, Jan

Hollandsche Koraalkunst van diverse artiesten Boek 15Inhoud:1. J.Pzn Sweelinck - Psalm 1402. Hend..

€ 7,90

Houdt dan de lofzang gaande - Johan C. Meischke

Houdt dan de lofzang gaande - Johan C. Meischke

Meischke, Johan C.

Houdt dan de lofzang gaande van Johan C. Meischke Inhoud:Psalm 22Gezang 441Psalm 24d’ Almachtige ..

€ 12,95

Houdt dan de lofzang gaande 1 - Diverse componisten

Houdt dan de lofzang gaande 1 - Diverse componisten

Bakker, Renco, Berg, Margriet van den, ...

Houdt dan de lofzang gaande 1 van diverse componisten Inhoud: Psalm 1 (Arjan Koning)Psalm 2 (Ger..

€ 13,95

Koraalbundel op hogen toon - Martijn den Haan

Koraalbundel op hogen toon - Martijn den Haan

Koraalbundel op hogen toon van Martijn den HaanPsalmen met bovenstemPsalm 1Psalm 3Psalm 19Psalm 21Ps..

€ 15,95

Korte koraalvoorspelen - Dick Sanderman

Korte koraalvoorspelen - Dick Sanderman

Sanderman, Dick

Korte koraalvoorspelen van Dick Sanderman Inhoud:Psalm 2, 17, 63, 70, 19, 6, 22, 24, 62, 95, 111, 2..

€ 8,95

Laat s HEEREN lof ten hemel rijzen - Gerrit Jan van de Werfhorst

Laat s HEEREN lof ten hemel rijzen - Gerrit Jan van de Werfhorst

Werfhorst, Gerrit Jan van de

Laat s HEEREN lof ten hemel rijzen | Gerrit Jan van de Werfhorst Inhoud: Psalm 2Psalm 22Psalm 3..

€ 10,95

Onder kerktijd 1 - Jan Bouman

Onder kerktijd 1 - Jan Bouman

Bouman, Jan

Onder kerktijd 1 van Jan Bouman Inhoud: Psalm 2Psalm 17Psalm 18Psalm 21Psalm 22Psalm 32Psalm 38Ps..

€ 14,50

Passie - Dick Sanderman

Passie - Dick Sanderman

Sanderman, Dick

Passie van Dick Sanderman Muziek voor de lijdenstijd 1Inhoud:Als ik het wond're kruis aanschouwPsal..

€ 12,95

Weergeven 1 t/m 12 van in totaal 34

Psalm 22

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, [van] de woorden mijns brullens?
2 Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
3 Doch Gij zijt heilig, wonende [onder] de lofzangen Israels.
4 Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
5 Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
6 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
7 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, [zeggende]:
8 Hij heeft [het] op den HEERE gewenteld, dat Hij hem [nu] uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
9 Gij zijt het immers, die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
10 Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
11 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
12 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke [stieren] van Basan hebben mij omringd.
13 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, [als] een verscheurende en brullende leeuw.
14 Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
15 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
16 Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
17 Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
18 Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
19 Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
20 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
21 Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
22 Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
23 Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!
24 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
25 Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
26 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
27 Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
28 Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
29 Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
30 Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.
31 Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Psalm 22

Vers 1
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
En brullend klaag in d' angsten die ik lij',
Dus fel geslagen?
't Zij ik, mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
Gij antwoordt niet; 't Zij ik des nachts moog' kermen.
Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen
In mijn verdriet.

Vers 2
'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, HEER,
En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer,
Bij Isrel, daar Uw lof klinkt keer op keer,
In gunst doen bouwen.
Op U stond vast der vaderen betrouwen;
Gij zaagt hen aan;
Gij hebt, wanneer z' in noden
Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden
Hen bijgestaan.

Vers 3
U smeekten zij, van mensenhulp ontbloot,
En zijn gered; zij hebben in hun nood
Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood,
Na hun gebeden.
Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden;
Een worm, geen man;
Een spot en smaad van mensen,
Dien 't boze volk, naar zijn baldadig wensen,
Beschimpen kan.

Vers 4
Al wie mij ziet, bespot mij, boos te moê;
Men schudt het hoofd, men steekt de lip mij toe.
Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe,
Moet ik nog horen:
"Dat God, op Wien hij steunt, hem gunstig' oren
Verleen', hem redd';
Dat die nu hulp doe komen,
En hem, in wien Hij heeft Zijn lust genomen,
In ruimte zett'".

Vers 5
Gij immers, HEER, Gij zijt het, door Wiens macht
Ik uit den buik weleer ben voortgebracht;
Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op Uw kracht
Van ganser harte.
Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
Gans onbevreesd;
'k Mocht nauw'lijks 't licht aanschouwen,
Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.

Vers 6
Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij;
Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;
'k Heb buiten U, daar ik zo bitter lij',
Geen hulp te wachten.
Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten,
En fel verwoed,
Omringt m' aan alle zijden;
Mijn God, hoe zwaar, hoe smart'lijk valt dit lijden
Voor mijn gemoed!

Vers 7
Zij rukken aan, met opgesperden mond,
Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
Ik vloei daarheen als waat'ren op den grond,
Die zich verspreiden;
Mijn beend'ren zijn in mij vaneen gescheiden.
O doodlijk uur!
Wat hitte doet mij branden!
Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden,
Als was voor 't vuur.

Vers 8
Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd,
Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd;
Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd
In't stof doen bukken.
Want van rondom zie 'k honden samenrukken;
Een muitgespan
Heeft mij ter prooi verkoren,
Mijn handen en mijn voeten doen doorboren,
Zo fel het kan.

Vers 9
Mijn beend'ren kan ik tellen, één voor één.
Hun boos gezicht beschouwt dit wel tevreên.
Z' ontzien zich niet, om met mijn tegenheên
Hun geest te strelen,
En onder zich mijn kleed'ren te verdelen;
Verhard in't kwaad,
Kan hun geen spel verdrieten;
Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten
Van mijn gewaad.

Vers 10
Maar Gij, o HEER, tot Wien mijn ziel zich keert,
Sta niet van ver; mijn God, die 't al regeert,
Ai, haast U toch ter hulp; ik word verteerd
Door al d' ellenden.
Red mijne ziel van't zwaard dier boze benden,
Die schrikk'lijk woen;
Ai, red haar uit hun handen,
Daar z' eenzaam ducht 't geweld des honds, wiens tanden
Haar sidd'ren doen.

Vers 11
Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert;
Verhoor mij, HEER, en red mij van 't gediert',
Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert;
Mij staat naar't leven,
Dan word Uw naam door mij met roem verheven;
'k Zal Uwen lof
Mijn broederen vertellen;
'k Heb, in Uw huis bij al mijn metgezellen,
Dan prijzensstof.

Vers 12
Gij, die God vreest, gij allen prijst den HEER;
Dat Jacobs zaad Zijn groten naam vereer';
Ontzie Hem toch, o Israël, en leer
Vertrouwend wachten.
Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
Noch oor noch oog
Van mijn verdrukking wenden;
Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
Riep naar omhoog.

Vers 13
Ik loof eerlang U in een grote schaar,
En, wat ik U beloofd' In't heetst gevaar,
Betaal ik, op het heilig dankaltaar,
Bij die U vrezen,
't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
Ten dis geleid.
Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen,
In eeuwigheid!

Vers 14
Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
En, waar men ooit de wildste volken vond,
Zal God ontvangen
Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen.
Want Hij regeert,
En zal Zijn almacht tonen;
Hij heerst, zover de blindste heid'nen wonen,
Tot Hem bekeerd.

Vers 15
Wie vet is, eet, en knielt voor Isrels HEER;
Wie 't stof bewoont, bukt mede voor Hem neer;
En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer
Heeft kunnen houden.
Het vrome zaad van die op God betrouwden
Zal, door Zijn kracht,
Hem dienen, voor Hem leven;
Het zal den HEER eens worden aangeschreven,
ln 't nageslacht.

Vers 16
Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
Om 't nakroost, dat den HEER wordt toebereid,
Te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
En grote daden.

Psalm 22

Vers 1
Waarom verlaat Gij Mij, Mijn God, Mijn Heer?
Ver is Uw hulp, doch ben Ik benauwd zeer;
Verre hebt Gij Mijn klachten versteken,
Die Mij uitbreken.
Des daags aanroep Ik U uit 's harten gronde,
Nochtans antwoordt Gij Mij tot genen stonde;
Ende des nachts laat Ik niet af van klagen,
Zeer verslagen.

Vers 2
Doch, Heer! Gij zijt die Heilig' evenwel,
Die daar woont onder Uw volk Israël,
Daar Gij wilt dat hem stedes vermere
Uw prijs en ere.
Onz' vaders hebben op U vast gebouwet,
Ja op U alleen hebben zij vertrouwet,
Die haar banden geweldig hebt ontbonden,
't Allen stonden.

Vers 3
Biddende waren zij van druk bevrijd,
Zij hoopten op Uw goedheid t' allen tijd,
En Gij beweest hun vroeg en spade
 Uwe genade.
Maar Ik ben een worm en geen mens in krachten
Een ieders spot, want zij Mij al verachten;
Mij tot een spreekwoord zij te maken plegen,
Allerwegen.

Vers 4
Een ieder ziend hoe dat Gij Mij, Heer! slaat,
Bespottet Mij en belacht Mij met smaad;
Verachtende steken zij den mond op
En schudden den kop.
Dan spreken ze: Hij staat tot allen tijden
Gans op Zijnen God, Dien Hij bidt in 't lijden,
Dat Hij Hem help', is 't dat Hij Hem beminnet
En bezinnet.

Vers 5
Doch Gij hebt Mij uit Mijn moeders lichaam
Gebracht, en hulpe bewezen bekwaam;
Van Mijn moeders borst Gij Mij steeds bijstaat,
God Mijn toeverlaat!
Ja dat meer is! zo haast Ik was geboren,
Hebt Gij Mij ontvangen ende verkoren.
Ende getoond dat Gij Mijn God wilt wezen,
Hoog geprezen.

Vers 6
Daarom van Mij zover toch niet en wijkt:
De moed ontvalt Mij en 't hart Mij bezwijkt,
En daar is niemand, die Mij geeft de hand,
Hulpe noch bijstand.
Veel sterke stieren Mij als nu omringen;
De ossen vet uit Basan Mij bespringen;
Om Mij te verstrikken zij vlijt aanwenden,
Ja te schenden.

Vers 7
Zij zijn als een leeuw die verscheurt zeer strang,
Die loert om te roven een schaapken bang;
Zij ontdoen haar kelen wijd ende breed,
Schrikkelijk en wreed.
En als water vloeien weg Mijne krachten.
Mijn leven is ontsteld, en door Mijn klachten
Smelt Mijn hart als was, ook vergaat Mijn leven
Met zwaar beven.

Vers 8
Als een potscherf is verdroogd al Mijn kracht,
Aan 't gehemelte kleeft Mijn tong versmacht;
Gij hebbet Mij gemaakt vol onwaarde,
Als slijk der aarde.
Want honden omringen Mij en genaken,
De boosdoeners hen tegen Mij opmaken.
Om Mijn handen en voeten te doorsteken,
Ja te breken. 

Vers 9
Mijn benen kan Ik tellen groot en klein;
't Welk ziende de boze mensen onrein.
Zijn verblijd ende bespotten, Heere!
Mij alzo zere.
Mijn kleed is nu stukwijs uitgegeven,
Mijnen rok is ook gesteld daar beneven;
Opdat zij 't lot daarover werpen prachtig,
T' zaam eendrachtig.

Vers 10
Dies wil, Heer! van Mij nu niet verre gaan;
Maar goediglijk wil Mij, o God! bijstaan,
Haast U, Gij zijt, ende anders gene,
Mijn kracht allene.
Verlos Mijn ziel van 't zwaard Mijner vijanden,
Die Mij zoeken te krijgen in de handen,
En Mij gaarne wreed'lijk hadden verslonden,
Gelijk honden.

Vers 11
Help toch uit de muilen der leeuwen fel
Mijn ziel beangst, ende versterk die wel
Tegen de eenhoornen, die hen stellen
Om Mij te kwellen.
Zo zal Ik Mijnen broederen verkonden
Uwen naam; en zal z' daartoe ook vermonden
In 't openbaar, midden in Uwe kerken.
Uwe werken.

Vers 12
Ik zal zeggen: Gij all' die den Heer vreest,
Belijdt Hem, en gij kind'ren Jakobs meest
Prijst Zijn goedheid; Hem ende niemand el,
Vreze Israël.
Want Hij heeft Zijn aanzicht niet willen wenden
Van 't gebed des mensen in zijn ellenden;
Maar wil zijn stem Hem laten komen voren,
Tot Zijn oren.

Vers 13
Zo zal Uwen lof door Mij zijn verhaald;
In Uw gemeente zal wezen betaald
Mijn belofte, onder 't volk ootmoedig,
Dat U vreest goedig.
Daar zullen de armen verzadigd wezen
Van die, die U zoeken, werd Gij geprezen;
Gij vromen zult eeuwig (zijnde verheven)
In vreugd' leven.

Vers 14
Dit bedenkende zullen zijn bekeerd
De volken; en van hen werd Gij geëerd
Ende gediend, ook met knien gebogen,
Voor Uwe ogen.
Want zij zullen weten, dat U dat rijke
Alleen behoort; want Gij hebt geen gelijke,
En dat Gij over de volken met ere
Zijt een Heere.

Vers 15
Zij zullen, Heer, U eer aandoen zeer groot,
Die verzaad zijn; ook die des hongers nood
Lijden, die zullen U, Heere prijzen
En eer bewijzen.
Daar zal hen haar zaad ganselijk begeven
Tot Uwen dienst; zij zullen, Heer verheven!
Van kindskind'ren altijd wezen gedachtig
Uws Naams krachtig.

Vers 16
Uit hen zal altijd iemand komen voort,
Om den nakomers te leren Uw woord,
Ende de goedigheid hoog geprezen,
Van U bewezen.