PSALM 73

Psalm 73


Informatie en bladmuziek over Psalm 73

Tekst en zang 1773 en Datheen

Product vergelijk (0)


Elektronische klanken 1 - Jan van Weelden

Elektronische klanken 1 - Jan van Weelden

Weelden, Jan van

Elektronische klanken 1 van Jan van Weelden18 PsalmenInhoud:Psalm 25Psalm 27Psalm 42Psalm 43Psalm 65..

€ 10,50

Geeft dan eeuwig’ eer - Leen Schippers

Geeft dan eeuwig’ eer - Leen Schippers

Schippers, Leen

Geeft dan eeuwig’ eer van Leen SchippersInhoud:Psalm 99Psalm 6Psalm 125Psalm 73Psalm 65Psalm 24..

€ 12,95

Koraalbewerkingen - Arie de Vlaming

Koraalbewerkingen - Arie de Vlaming

Koraalbewerkingen van Arie de Vlaming Psalm 25Psalm 47Psalm 68Psalm 73Psalm 89Psalm 96Psalm 103Ps..

€ 10,00

Koraalbewerkingen voor orgel 1 - Jan Zwart

Koraalbewerkingen voor orgel 1 - Jan Zwart

Zwart, Jan

Koraalbewerkingen voor orgel 1 van Jan Zwart Inhoud:Psalm 61, Psalm 73 (twee Psalmbewerkingen)Gebed..

€ 9,95

Koraalbundel op hogen toon - Martijn den Haan

Koraalbundel op hogen toon - Martijn den Haan

Koraalbundel op hogen toon van Martijn den HaanPsalmen met bovenstemPsalm 1Psalm 3Psalm 19Psalm 21Ps..

€ 15,95

Koraalfantasieën - André van Vliet

Koraalfantasieën - André van Vliet

Vliet, André van

Koraalfantasieën van André van Vliet Inhoud:Orgelkoraal Psalm 73:12Meditatie Blijf bij ons, Jezus, ..

€ 12,50

Orgelalbum I - Thorsten Maus

Orgelalbum I - Thorsten Maus

Maus, Thorsten

Orgelalbum I van Thorsten MausInhoud: Psalm 3Psalm 9Psalm 44Psalm 67Psalm 73 ..

€ 14,45

Psalmen 3 - Chris Haalboom

Psalmen 3 - Chris Haalboom

Haalboom, Chr.

Psalmen 3 van Chris Haalboom25 Psalmen voor elektronisch orgel en kerkorgelInhoud:Psalm 51-75..

€ 8,95

Psalmen 3 - Dick Sanderman

Psalmen 3 - Dick Sanderman

Sanderman, Dick

Psalmen 3 van Dick Sanderman 13 psalmenInhoud:Psalm 3Psalm 13Psalm 23Psalm 33Psalm 43Psalm 73Psalm ..

€ 11,95

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 - Jan van Westenbrugge

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 - Jan van Westenbrugge

Westenbrugge, Jan van

Psalmen in voorspelen en zettingen 1 van Jan van WestenbruggeInhoud:Psalm 1Psalm 6Psalm 8Psalm 19Psa..

€ 15,45

Psalmen voor orgel - Joel Terdu

Psalmen voor orgel - Joel Terdu

Terdu, Joel

Psalmen voor orgel van Joël TerduInhoud:Psalm 31Psalm 73Psalm 105Psalm 119..

€ 10,95

Psalmen voor orgel 1 - Jaap Niewenhuijse

Psalmen voor orgel 1 - Jaap Niewenhuijse

Niewenhuijse, Jaap

Psalmen voor orgel van Jaap NiewenhuijseInhoud: Psalm 3Psalm 9Psalm 44Psalm 67Psalm 73 ..

€ 12,95

Weergeven 1 t/m 12 van in totaal 32

Psalm 73

1 Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.

2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

5 Zij zijn niet in de moeite [als] [andere] mensen, en worden met [andere] mensen niet geplaagd.

6 Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen [als] een gewaad.

7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

8 Zij mergelen [de] [lieden] uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.

9 Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen [bekers] worden uitgedrukt,

11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

12 Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.

13 Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

14 Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; [maar] het was moeite in mijn ogen;

17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, [en] op hun einde merkte.

18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, [dan] zult Gij hun beeld verachten.

21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

22 Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

23 Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;

24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij [in] heerlijkheid opnemen.

25 Wien heb ik [nevens] [U] in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!

26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.

27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert;

28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

Psalm 73

Vers 1
Ja waarlijk, God is Isrel goed,
Voor hen, die rein zijn van gemoed;
Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed
Schier uitgeweken, en mijn treên
Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.

Vers 2
Ik zag met nijdig' ogen aan,
Hoe dwazen hier op rozen gaan,
En hoe godd'lozen in hun gangen,
Al veeltijds rust en vreê erlangen.
Zij weten van geen tranenbrood,
Van gene banden, tot hun dood;
Hun kracht is fris; zij zijn gezond
Tot op hun laatsten avondstond.

Vers 3
Zij weten doorgaans van verdriet
En moeit' als and're mensen, niet;
Men ziet hen bitt're smart noch plagen,
Als and're stervelingen, dragen.
Dies zijn zij trots, en doen den waan,
Gelijk een gouden keten, aan;
't Geweld, dat deugd en plicht versmaadt,
Bedekt hen als een praalgewaad.

Vers 4
Indien men op hun voorspoed let,
Hun ogen puilen uit van vet;
Hun weelde, wat zij zich beloven,
Gaat hun verbeelding nog te boven,
Zij mergelen de mensen uit,
En spreken, trots op roof en buit,
Steeds uit de hoogte van hun macht,
Terwijl hun hart de deugd belacht.

Vers 5
Hun mond tast zelfs den hemel aan;
Gods albestuur schijnt hun een waan;
Terwijl hun tong op aarde wandelt;
Geen mens ontziet, maar elk mishandelt.
Daarom keert zich Gods volk hiertoe,
En schrikt, wanneer hun bang te moê,
Het water, daar hun niets gelukt,
Met bekers vol wordt uitgedrukt.

Vers 6
Dan peinst de ziel: is 't waar, zou God
Ook weten van mijn droevig lot?
Zou d' Allerhoogste van mijn klagen
En bitt're rampen kennis dragen?
Zie, dezen, hoe godd'loos en wreed,
Zijn evenwel bevrijd van leed;
De rust volgt hen op al hun paân,
En hun vermogen groeit steeds aan.

Vers 7
Zo heb ik dan vergeefs gestreên,
Mijn hart gezuiverd en gebeên;
Vergeefs heb ik in reine plassen
Van onschuld mijne hand gewassen.
Want al den dag ben ik geplaagd;
Mijn ziel verschrikt, mijn boezem jaagt;
En nooit verscheen er morgenstond,
Waarop ik geen kastijding vond.

Vers 8
Zo ik dit zeggen staven zou,
Gewis, dan waar' ik niet getrouw
Aan 't waard geslacht van Uwe kind'ren,
En zou hun hoop en moed vermind'ren.
Nochtans heb ik met al mijn kracht
De Godsregering overdacht;
Maar 't was een stuk, dat in mijn oog,
Mij moeilijk viel en veel te hoog.

Vers 9
Dit duurde, tot ik uit dien drom
Van neev'len ging in 't heiligdom,
Om met de Godsspraak raad te plegen.
Daar zag ik, op wat gladde wegen
De voorspoed zelfs de bozen leidt,
En hoe G' in 't eind hun val bereidt;
Zij storten van den top van eer,
In eeuwige verwoesting neer.

Vers 10
Hoe worden zij, tot ieders schrik,
Vernield, als in een ogenblik,
Hoe moeten zij het leven enden!
Van angst verteerd in hun ellenden!
Hun weeld' is als een droom vergaan.
O HEER, wanneer Gij op zult staan,
Zult Gij hun tonen, onverwacht,
Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

Vers 11
Toen 't zwellend hart met ongeduld
En wrevel' afgunst werd vervuld,
En ik geprikkeld in mijn nieren,
Om trots mijn drift den toom te vieren,
Was mijn verstand van licht beroofd;
Ik heb Gods waarheid niet geloofd,
Maar was, door mijn verwaanden geest,
Bij U een onvernuftig beest.

Vers 12
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.

Vers 13
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

Vers 14
Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U den trotsen nek toekeren;
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
'k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den HEER, Wiens werk ik roemen zal.

Psalm 73

vers 1
God is nochtans troostlijk en zoet
Israël, ook ieder man goed,
Die met een hart en gemoed reine
Bewaart Zijn woorden groot en kleine;
Doch zo hadden mijn voeten schier
Gestruikeld uit mijnen weg hier,
Ik lag bijna gevallen plat,
Geweken uit den rechten pad.

vers 2
't Verdroot mij zeer dat ik aanzag
Der bozen 'spoed menigen dag;
Ik konde zeer zwaarlijk gehingen
Haar groot geluk in alle dingen;
Want zij staan niet in 's doods gevaar,
Maar zij blijven vast'lijk eenpaar;
Fijn ende gezond zij voortgaan,
Als paleizen versierd zij staan.

vers 3
Als ander mensen zijn geplaagd,
Zij blijven vrij en onversaagd.
Als ongeluk komt over allen,
Zij gaan waar geen slagen en vallen.
Dies is haar trotsen groot geacht,
Een kost'lijk ding heet hare kracht;
Dat ze met geweld vangen aan,
Moet goed heten en wel gedaan.

vers 4
Haar ogen pruisten zeer hoog op
Uit haren vetten dikken kop,
Zij gaan slechts om met zulken renken
Als zij voornemen en bedenken.
Zij brengen alle ding tot niet
En roemen van 't kwaad en verdriet.
Dat ze den vromen doen; dies zij
Daarna trotselijk spreken vrij.

vers 5
Zij steken stout'lijk den mond snel
Naar den hemel en spreken fel.
Haar tonge wreed (doch klein van waarde)
Relt vals'lijk over de gans' aarde.
Dies struikelt Gods volk ende valt,
En twijfelt in zulk een gestalt'.
Men schenkt hun, en het drinkt met leid,
Als water al deez' tegenheid.

vers 6
Zij spreken vermetelijk zeer:
Zou ook uit Zijnen troon de Heer
Ons doen aanzien ende bemerken?
Zou God acht nemen op onz' werken?
Dit zijn de godd'lozen zeer kwaad;
Toch ziet men dat hen wel gaat,
En dat ze worden zat en rijk
Hier op aarde allen gelijk.

vers 7
Zal 't om niet zijn, dat mijn ziel heeft
Onstraffelijk en wel geleefd?
Heb ik om niet in alle standen
Met onschuld gewassen mijn handen?
Heb ik vergeefs geweest gekweld?
Is al mijn smart als niet geteld?
Is mijn kruis (dat t' allen stonden
Mij toekwam) niets waard bevonden?

vers 8
Maar wild' ik met zulk onverstand
Spreken, ik zou zondigen; want
Ik moest verdoemen en bezwaren
Al Uw kind'ren, Heer, die ooit waren,
Daarom heb ik arbeid gedaan.
Om dit stuk eens recht te verstaan;
Doch het blijft mij voor ende naar
Schier onbegrijpelijk en zwaar.

vers 9
Totdat ik in dat heiligdom
Uwes tempels, Heer, ging alom;
Dan kon ik den uitgang aanschouwen
Der godd'lozen met groot benauwen.
Daarom wandelden zij voorwaar
Op enen gladden weg eenpaar;
Daarvan zij gestort zijn terstond,
En varen haast ter helle grond.

vers 10
Dan is verwonderd ieder man,
Dat ze zo haast komen daarvan,
En zo tot niet werden geslagen
Te grond met schrikken en versagen.
De schijn haars rijkdoms haast vergaat.
Zij zijn veracht en zeer versmaad;
Gelijk als een droom ongewis
Vergaat, als men ontwaket is.

vers 11
Toch ging mij zulks zeer na altijd,
Het kweld' en maakte mij vol spijt,
Ja, 't heeft mij de nieren doorsteken,
Veel harder dan ik 't kon uitspreken.
Ik was uitzins in zulk verdriet,
Ja ik was bij mij zelven niet;
Maar als een kalf onwijs en bot,
Als ik zo morde tegen God.

vers 12
Nochtans, wat mij, Heer, wedervaart,
Ik hang U aan, zijnde bezwaard;
Want in 't lijden dat mij benauwet,
Met Uw hand Gij mij onderhouwet.
Gij geleidt mij naar Uwen raad
Trouwelijk, Heer, mijn toeverlaat;
Totdat ik fijn werde gebracht
Ter eren, Heer, door Uwe kracht.

vers 13
Als ik dan U heb, o Heer mijn!
 Zou daar iets anders mijn God zijn?
Zou ik ergens groot ofte klene,
Een God hebben dan U allene?
Maar ik werde nu gans versmacht.
Mijn hart verliest al zijne kracht;
Doch Gij zijt, Heer, mijn troost geheel,
Mijn borcht, mijn toevlucht, mijn erfdeel.

vers 14
Want zij, die van U wijken af,
Zullen vergaan en zijn als kaf;
Zij zullen voor U niet beklijven,
Die valse godsdiensten bedrijven.
Tot U Heer, wil ik houden mij,
En mijnen toevlucht nemen vrij;
Dat is mij 't beste; dies ik zal
Altijd melden Uw werken al.